Vier weken geleden kwamen we in Queenstown aan, om er te blijven plakken tot begin maart. Veerle had hier al op voorhand werk -tussen de paarden- gevonden, voor mij zou het nog even zoeken blijken.
Het is gemakkelijk om duizenden euro’s per dag te souperen, in een van ’s werelds belangrijkste ‘kick-sport-steden’. Met het gezin ’s ochtends paardrijden, ’s middags jetboaten en ’s avonds dineren moet gemiddeld zoveel kosten als wat Veerle en ik normaal gezien maximaal aan een maand vakantie willen geven, maar voor veel toeristen lijkt dat geen probleem. En dan moeten ze de volgende dag ook nog gaan raften, wildwaterkajakken, benjijumpen, riversurfen, paragliden, skydiving of cruisen... Vele duizenden toeristen komen en gaan (vrij snel, want het budget is er snel doorgedraaid) wekelijks in dit stadje met nauwelijks enkele duizenden inwoners.
Des zomers is het altijd extra druk voor toeristisch Queenstown. Zo ook voor Veerle en de ‘Shotover Stables’ waar ze werkt. Een gemiddelde dag begint met opstaan om 7u00. 8u00 vertrek naar de weide, om er de paarden de berg op te jagen alwaar ze geborsteld, wat gevoederd en opgezadeld worden. Tijdig vertrekken om de toeristen tegen 9u30 in Queenstown op te pikken. Na het ‘helmenpassen’ en een woordje uitleg volgen de Kiwi’s, Australiers, Amerikanen, Indonesiers en Japanners of andere Aziaten, of eerder hun paarden, gewillig hun gids de berg af, richting rivier, doorheen het struikgewas. Blijken enkele ruiters toch voldoende invloed te hebben op het gedrag van hun paard, dan kunnen ze bij de terugtocht – na een foto en wat splashen door het water in de Shotover rivier, een welkome verfrissing in deze hete zomerdagen! – draven en galopperen achter hun gids aan – iets waarvan Veerle en haar ondertusen favoriete paard, Cardigan –een exracer en een snelle dus, altijd naar verlangen zodra de ‘galopheuvel’ in zicht komt. Tegen kwart voor elf zou iedereen weer in het busje moeten zitten (behalve de mensen met eigen vervoer), richting Queenstown. Na een korte lunchpauze herhaalt hetzelfde scenario zich nog tweemaal (13u30 en 15u30 rit) en zijn de gidsen blij dat ze tegen 18u-18u30 de dag goed en wel kunnen afsluiten, en even kunnen genieten van de valavond tussen dier en natuur in, terwijl ze de 16 paarden van de Stables terug naar de wei beneden in de vallei leiden. Als alles goed gaat volgen de paarden de twee leidpaarden die Veerle of haar collega vasthouden tot aan de weide, zoniet, wordt het -meestal- een kwartiertje ‘paardzoeken’ in de omliggende bosjes, waar de meeste paarden ook graag s’ ochtends vertoeven, nadat ze er oopnieuw in geslaagd zijn onder of door de omheining te breken want...het gras is toch altijd groener en lekkerder aan de andere kant;-)
Heel veel hangt af van de mensen of het gidsen leuk al dan routineus wordt. Liever ervaren dan onvervaren; liever Europeanen dan Japanners (die behalve paardrijden ook meestal nog drie andere activiteiten op de dag te doen hebben); liever mensen met eigen transport dan onder tijdsdruk door de enige drukke stad (files incluis) van het Zuideiland te moeten aanschuiven op zoek naar het juiste hotel en dito toeristen.
Ook al is het leven als gids niet altijd vanzelfsprekend, toch is het werk in dit toeristisch oord voor Veerle, hoe anders het ook is dan farmen, ongetwijfeld weer een leerrijke ervaring op zich in ons NZ-avontuur, evenals de samenwerking met Veerles Duitse collega Andrea, de Engelse Rebecca en de Belgische eigenares Barbara bij wie we momenteel inwonen.
Mijn werk. Het eerste wapenfeit was het opzetten van een (miljonairs)trouw. Eerst een half uur op de stoomboot, om vervolgens 19uur lang te werken tot vier tenten opgesteld waren, 500 schijnantieken Louis treize stoelen uit hun verpakking gehaald en een volledig restaurant leeggehaald en hervult met nieuw materiaal... enfin, het was erger dan een strandrugbytornooi opstellen en afbreken, en moet ook veel meer gekost hebben. Van 9u00 ’s ochtends tot 4u30 ’s nachts onderweg geweest, zat ik tegen 5u in mijn bed, om de volgende nacht tegen 23u te beginnen afbreken, tot 11u in de ochtend. Mijn bioritme was nog een paar dagen om zeep.
Mijn tweede stiel was bij een ‘landscaper’, een eufemisme voor ‘tuinier’. De eerste dag verschoonden we drie tuinen. Hoofdopdracht: wieden (dat doe ik bijna even graag als wc’s kuisen). Gelukkig bracht de tweede dag een rijkere ervaring. We vertrokken om zes uur ’s ochtends naar Wanaka (60km van Queenstown) om er de tuin van Shania Twain (voor zij die haar niet zouden kennen, een wereldbekende Canadese popster) aan te leggen. Na 10km oprijlaan (die ze deelt met een boer) kwamen we aan een gigantische manege aan. Een prachtig gebouw, met gigantische binnenpiste, en eiken balken waar menig kasteeleigenaar nog jaloers op zou worden. Enfin, wij gingen naar het huis alwaar we de pelouse moesten aanleggen. Het bleek een langgerekte bungalow met uit elke kamer een prachtig zicht over de valei (die ze samen met de boer deelt) en het meer van Wanaka en omringende bergen. De ligging was wel zo dat je geen meter van de tien km lange oprijlaan kon zien. Indrukwekkend. Toen we het grootste werk aan de pelouse gedaan hadden, gingen we haar afrijlaan (het verlengde van de oprijlaan, dat verder de bergen inloopt) met bomen beplanten. Om een idee te geven: na een half uur rijden waren we er... de berghellingen waarlangs we reden waren al volledig aangeplant, wij beplantten dus maar een klein stukje met een paar honderd boompjes. Ik weet niet hoeveel kilometers bomen er nog moesten geplant worden, want na die dag ben ik er nooit meer teruggekeerd. Hij had iemand vast in dienst genomen.
Dat leerde ik echter pas na twee weken werkloosheid, aan het lijntje gehouden door baas en interimbureau, in de voor hen weliswaar warrige periode van kerst en nieuw. Ik heb die periode dus niet moeten werken, maar kreeg nu toch 200dollar vakantiegeld, omdat tussen mijn werk bij Shania en de dag van mijn ontslag 5 officiele feestdagen lagen waarvoor ik vakantiegeld kreeg. Niet slecht gesmurft dus.
Mijn derde stiel bestond uit het schoonmaken van appartementen in een vakantieparkje. Twee vrijdagen (in de periode dat ik aan het lijntje gehouden werk door de landscaper) kuisen hielden me toch enigzins bezig. Het was in elk geval veel leuker dan wieden!
De vierde en vijfde stiel zijn heel erg aan elkaar gelinkt. Toen ik vrijdag (net voor het kuisen) het interimbureau belde, om te vragen hoe dat nu zat met de landscaper en ik toen pas hoorde dat ik er nooit meer voor zou hoeven te werken, liet ze me weten dat ik wel meteen twee dagen op een bouwwerf zou kunnen beginnen. Zaterdag en zondag hielp ik zodoende metaalplaten aanbrengen waarop later beton zou worden gegoten, op het bouwwerf dat tegen de winter weer als skistation zal moeten dienen op Coronet Peak (de bergtop in de buurt van Queenstown waar in de zomer velen paragliden en downhill mountainbiken). Dat was de eerste echt leuke en interessante job, misschien wel omdat ik het gewoon leuk vind om over 10m hoge metalen balken te lopen. De baas bleek tevreden en ik mocht maandag terugkomen (de andere interimmers zag ik nooit meer terug) om het laatste deeltje af te werken. De dagen erna zou hij geen werk meer voor me hebben, maar door hem kon ik op dinsdag wel bij een andere baas beginnen, op dezelfde bouwsite. Zo werd ik na hoogtewerker bouwer.
En zo loop ik dus de volgende weken met de gereedschapsgordel rond op de werf, vooral bezig met houtwerk (meten, boren, lijmen, nagelen, zagen...) maar ook metaalwerk (slijpschijven en boren). Heel erg leerrijk en zeker de moeite waard met oog op ons toekomstig boerderijtje (en veel beter betaald dan alle andere interimjobs in Queenstown). Wordt vervolgd...
Genoeg over werk. Ondertussen hebben we de eindejaarsfeesten in Nieuw Zeeland gevierd en daar hoort uiteraard een verhaal bij.
Kerstmis is een familiegebeurtenis, en hoewel nooit hetzelfde zonder familie, hebben we het kerstgevoel ‘as good as it gets’ kunnen benaderen. Dat is niet evident als iedereen in stad op sandalen of zelfs blote voeten rondloopt en kerstverlichting op dagen met stralende zon van 6 uur ’s ochtends tot 22u ’s avonds nauwelijks zichtbaar is. Kerstavond bestaat niet in Nieuw Zeeland, enkel Kerstdag. En zo kwam het dat, terwijl iedereen in Europa kerstavond vierde, wij onze eerste kerstochtend vierden. Wij waren: Barbara (eigenares van de Stables en tevens onze huisbaas, waarvoor we wekelijks een aantal uren werken in ruil voor accommodatie), Erynn en Hasse (haar twee dochtertjes), Ray (haar Kiwi vriend en in deze omstandigheden minstens even belangrijk: Chef Kok), Christopher en Andrea (twee Duitsers), Veerle en Koen. Ray bakte pannenkoeken en maakte een viertal heerlijke groenten-, fruit- en kaassalades die er wonderwel bij pasten. Iedereen gezellig samen aan tafel, pannenkoeken a volonte van Ray, wijn van de Duitsers, chocolade van de Belgen en pakjes voor iedereen. In zulke omstandigheden heb je al niet veel kalkoen meer nodig om een deugddoende kerstsfeer te creeren.
We lopen allebei heel wat minder hoog op met oudejaar dan met Kerstmis. Daarom hadden we op voorhand beslist om niet tussen de bezopen toeristen in Queenstown te blijven, maar de (heel bekende en mooie) Routeburn track te wandelen en nieuwjaarsnacht te overnachten in een hut. De Routeburn track is een 33km lange wandeling, door ongerepte bossen, over een sprookjesachtige bergpas en met prachtige vergezichten. De doorsnee toerist rekent 3 dagen en twee overnachtingen om van het ene eind naar het andere te geraken (33km in de bergen is anders dan op vlakke weg...). Wij hadden slechts twee dagen en 1 overnachting om van het ene eind naar het andere te geraken en terug (want het einde van de track is 300 km met de wagen verwijderd van het beginpunt waar onze auto stond te wachten).
De eerste dag passeerden we de mensen die we de volgende dag zouden kruisen, en kruisten we de mensen die we de volgende dag zouden passeren. Wandelen door de bossen ging heel snel, tot we aan een eerste hut kwamen (waar sommigen hun eerste overnachting boeken) vanwaar het steil omhoog ging naar een tweede hut (waar de meesten hun eerste overnachting boeken) en vandaar nog altijd steil omhoog naar een sprookjesachtige vallei, tot aan de Saddle (bergpas). Dat stuk was echt prachtig, maar beet stevig in de kuiten. Een beetje voorbij het Saddle (5 minuten afdalen voor ons) aten we onze lunch en beleefden we hilarische momenten toen we 6 Britten (weliswaar op leeftijd) erg zwaar gepakt en gezakt (rug en buikzak) het steile stuk zagen afdalen dat wij net hadden gedaan. We moesten al lachen met hun bagage toen ze van achter de bergkam verschenen, maar het werd alleen nog maar grappiger toen we hen lang genoeg hadden gezien om te beseffen hoe traag ze wel gingen. De eerste in de rij stopte af en toe, zodat de volgenden er als een harmonika tegenaan botsten, om vervolgens te kijken naar waar hij/zij wees en er dan even mee te lachen of zelf nog een grapje over te maken met de achterblijvers, waardoor hij/zij dan meteen weer een paar meter achter kwam te liggen op de eersten die ondertussen alweer vertrokken waren. Na ongeveer een kwartier bereikten ze ons, en nog eens vijf minuten later waren ze om de hoek verdwenen. We schoten nog eens in de lach toen we tien minuten later vertrokken en ze nog maar honderd meter verder rond de hoek waren. Twee uur later waren we aan de Mackenzie hut, prachtige ligging aan een bergmeertje, met man, wat een berggezichten. Na een voetbad waren we weer opgeladen en drie uur later arriveerden we aan de laatste hut (4km van het einde van de wandeling) waar we nieuwjaar zouden vieren.
Na een verkwikkende duik in Lake Howden, en ons bed ingenomen te hebben, was het tijd voor onze kaas- en wijnavond. We vonden een plaatsje bij een familie Australiers... wat achteraf zeker de juiste keuze bleek geweest te zijn. We genoten van de heerlijke kaas en wijn (heel duur in NZ voor dagelijks gebruik, maar hemels lekker bij dergelijke gelegenheid, zeker met de inspanningen in gedachten die we ons niet getroost hadden om al dat extra gewicht in de hut te krijgen) en nog meer van het ‘familiegevoel’ dat we via de Aussies kregen. Het werd pas heel gezellig toen ook de ‘Warden’ (hutconcierge) er kwam bijzitten en twee limomadeflessen “homebrew” Stout aanbracht. We hebben niet bijgehouden hoeveel keer hij is weggelopen om extra tweeliterflessen uit zijn hut – en brouwerij – te halen, maar het waren er heel wat. Het was al heel gezellig aan onze tafel toen de omringende tafels tegen 22u30 “trampers newyear” begonnen af te tellen. Na de nodige nieuwjaarswensen en een groepsfoto van alle nog aanwezige gasten, stroomde de eetzaal leeg, en ging de warden nog wat bier halen. We twijfelden nog even of we het wel tot twaalven zouden uitzingen, maar dan ging de tijd weer zo snel dat er – voor we het goed en wel beseften – al drie horloges aan tafel in het nieuwjaar waren. Veerle had gelukkig nog een goed horloge. De reactie was memorabel toen ze ten gepaste tijde “ten” zei. Ik had voor dat moment nooit geweten dat 7 mensen zoveel lawaai konden maken, en de mensen in de aangrenzende slaapzaal waarschijnlijk ook niet. De “NINE, EIGHT, SEVEN, SIX, FIVE, FOUR, THREE, TWO, ONE, HAPPY NEWYEAR” galmden al hard in de hut, maar het werd pas oorverdovend toen iedereen recht ging staan en de Wardens’ bank op de grond viel. Na hartelijke nieuwjaarswensen gingen we naar buiten om de – in NZ illegale, maar door de Aussies met gevaar voor serieuze boete geimporteerde – zwavelstokjes aan te steken onder een onnavolgbare sterrenhemel. Dat was al mooi, maar het werd wederom hilarisch toen de (beschonken) warden de tien overblijvende zwavelstokjes allemaal in een keer ontstak, tegen de tijd dat die van ons bijna waren uitgebrand. Het enige dat we nog konden zien was een spetterende vuurbol met daarachter zijn lachend (en verwonderd) gezicht. Een wonder dat zijn Beethovenhaar niet spontaan mee ontvlamde, maar we lagen allemaal wel in een deuk. Een nieuwjaar dat ons voor altijd bij zal blijven!
Gelukkig nieuwjaar en alle goed in 2008!
Veerle en Koen